18/12/2009

Donorliefde


Gisteren zag ik in het programma Man bijt hond een vrouw die men een decennium geleden een bewust ongehuwde moeder zou noemen.
Ze had in het verleden vruchteloos naar liefde gezocht, zei ze, en keek daarbij alsof het zoeken een zware opdracht was geweest, een last die ze sinds haar adolescentie had gedragen. Het zoeken naar de liefde was voor haar als het dragen van een doornenkroon, een lijden waarvan ze hoopte verlost te worden, door die ene, de ware.

Minder vruchteloos bleek haar zoektocht naar een donor. Ze had drie kinderen gebaard, jonge meisjes nu. Zij waren de bewust gekozen ware, de Heilige Drievuldigheid waarin ze nu geloofde, de zelfgekozen liefde.

Eén van de meisjes was verliefd en vroeg haar moeder om raad bij het schrijven van een liefdesbrief. Ze kwam niet verder dan een paar eenvoudige verzen die ze op een mistroostige manier declameerde. Alsof ze haar kinderen wilde behoeden voor de kwelling van het zoeken naar romantiek en liefde.

Ze zullen later ook op zoek gaan naar een donorliefde, dacht ik, al hoop ik dat de romantiek hen daarvan behoedt.


15/12/2009

Houd de liefde! (Nooit gedacht dat er kusttrams reden in Gent.)


“Houd de liefde, houd de liefde!” schreeuwt een man in de straat. Zo’n overvolle winkelstraat in Gent waar je jezelf vooral wil onthouden van vriendelijkheid, iedereen is een vreemde voor elkaar, een aanraking is hier een verdraagzaam aanvaarden van elkaars bewegingsruimte geworden. Houd de liefde! Houd de liefde!
“Ook de liefde wil hier weg” mompel ik.

Twee mannen hebben de liefde staande gehouden. Ze dragen dezelfde jas als de man die zonet schreeuwde. De kleinste van de twee lijkt haar te willen fouilleren, maar de andere man houdt hem tegen. “Dit kunnen we niet maken, niet hier.” Ze zuchten. Elk hebben ze een arm vast. “We brengen je naar het bureel,” zeggen ze in koor, “terug bij je rechtmatige eigenaar.” Ze glimlachen nu.

Mijn jas is te ruim. Mijn broek te kort. Wat zal ze niet van mij denken. De eerste stap is de moeilijkste, die moet iets sneller. Dan zal ik lopen, de twee mannen uitschakelen, haar over mijn schouder draperen, en weer lopen, tot ik niet meer kan, allemaal in naam van de liefde. Ik loop naar de heren toe, mijn hoofd houd ik zo laag dat ik het in de maag van de kleine kan stompen. Hij valt om. De andere sla ik vol in het gelaat. Ook hij valt om.
“Sisyphus!” roept ze. “Nee,” zeg ik, “het is Albert.”
Ik leg de liefde op mijn rechterschouder en begin weer te lopen. “We moeten hier zo snel mogelijk vandaan!”, roep ik. Houd de dief! Houd de dief!
Ze weegt zwaarder dan ik dacht. “Houd de liefde”, denk ik.

“Die berg op!” zegt ze. Ik ren als een bezetene, maar de liefde gaat steeds zwaarder doorwegen. Dit red ik niet. Ik geef een signaal aan de schrijver van deze tekst, doe het desnoods met een vreemde plotwending, maar ik wil niet de man zijn die de liefde niet redden kon.

Een kusttram grijpt ons beiden. De schrijver pent ons beiden naar de dood. Wat een hufter.


13/12/2009

Telefoonstilte.


Hij wacht. Zij wacht.
Naast de telefoon.
Zij wacht. Hij wacht.
Naast de telefoon.

Hij wacht. Zij wacht.
Aan de telefoon.
Zij wacht. Hij wacht.
Aan de telefoon.


10/12/2009

Een kerstverhaal over sodomie, psoriasis en Lourdes.

Hij vulde een thermos met kamillethee. Zijn koffer staat klaar. Naar Lourdes gaat de reis.
Zijn wagen is een oude Ford Fiesta in een onopvallend blauwe kleur, zo een blauw zonder zorgen, een rijtuig dat zich immer keurig zal gedragen en zelf een flitspaal niet weet te verleiden.
Hij houdt van zijn wagen, de naam Fiesta vond hij wat ongelukkig gekozen, maar verder was er niets op aan te merken. Alleen jammer dat de sanseveria’s in de keuken te groot waren geworden om ze op de ietwat kleine hoedenplank te stallen.

De wegenkaart van Frankrijk was hij niet vergeten, hij glimlachte, wat was ie vooruitziend en keurig, hij reisde nochtans niet vaak.

Het is precies twee jaar geleden dat hij de dokter psoriasis hoorde zeggen. Krijg de psoriasis, dacht hij, het moet een enge ziekte zijn, zo klinkt het. De vlekken op zijn huid kregen een naam en een behandeling. De wonden zouden gezalfd worden, maar zullen niet volledig helen. De vlekken waren een herinnering aan zijn overleden vrouw, zij leefde nu in hem en hij dacht elke dag aan haar. Op zijn rechteronderarm had hij een vlek die leek op de door zijn vrouw beminde Ridge uit The Bold and the Beautiful, sindsdien wist hij dat zijn vrouw gelukkig is en dat gaf hem troost en kracht. Die vlek behandelde hij niet, zal hij nooit behandelen, voor de andere vlekken vertrouwt hij op een mirakel in Lourdes.

Wat reed de Ford Fiesta nog goed, dacht hij, het lijkt de andere mensen niet op te vallen dat deze oude, hoogbejaarde wagen zich nog zo keurig weet te gedragen in het verkeer. Ik moet er straks af. Bijtanken, wat rusten, een kopje kamillethee en een frangipane. Als de richtingaanwijzer naar rechts aangaf, dan strekte hij ook zijn arm naar rechts, een gewoonte die hem als fietser werd bijgebracht. Het kon ook geen kwaad om de achterliggers daar extra attent op te maken, vond hij, ook al zat hij nu in een wagen.
De snelwegparking is op een paar vrachtwagens na verlaten. Hij parkeert zijn wagen tussen twee vrachtwagens in. Veevoeder, dacht hij, die Duitser vervoert veevoeder. Al na het eerste slokje lauwe kamillethee werd er tegen zijn raam getikt. Hij schrok. De man van het veevoeder lachte hem toe. Hij was kaal, had een mooie, verzorgde zwarte snor en een sikje dat hem vast iets artistieks zou moeten bijbrengen. Of hij helpen kon? Met een karwei? Natuurlijk. De kamillethee gaat terug in de thermos.

De man had een probleem met een zware last, zei hij. Zijn bovenlichaam was helemaal ontbloot, niet vreemd in de zomer. De contouren van zijn lid waren duidelijk zichtbaar in de strakke broek. De Duitser is opgewonden, dacht hij. Ook hij zat nu met een zware last. De man van het veevoeder tastte in zijn kruis. Het Duitse lid werd alsmaar groter, voelde hij. Toen hij met opgestroopte mouwen de rits van zijn spannende broek opende, stond hij oog in oog met Ridge.
“Vergeef me,” fluisterde hij Ridge toe “vergeef me deze zonden.”
“Jawohl”, zei de Duitser.

Hij spoelde de smaak van het zaad weg met kamillethee. Op naar Lourdes.

De Ford Fiesta was zijn onschuld verloren, iedereen lijkt de wagen aan te staren. Sommige wijzen zelf. Hij wil schuilen in een bos van sanseveria’s. De herenliefde, daar wil hij nu in Lourdes van genezen worden. De vlekken, zij, zijn vrouw en Ridge zullen getuige zijn van de genezing, van het mirakel. Hij zal het wijwater gebruiken om dagelijks zijn lid te zuiveren.

Na aankomst in het hotel besluit hij, niet ver daar vandaan, een voorraad wijwater in te slaan. Ook leek het hem wijselijk zijn lid in niet erecte toestand te zuiveren, dit is water gewijd door Maria, de Moeder Gods, men kan er beter maar zuinig mee omspringen.

Hij dacht aan de Duitser bij het vullen van de flesjes. Hij dacht aan zijn overleden vrouw en Ridge. Aan de vlekken op zijn lichaam. Aan de Ford Fiesta. Aan veevoeder.

“Dit,” zei hij, “dit wordt geen kerstverhaal.”

2/12/2009

De onopvallend blauwe reiger.

Hij draagt een blauwe jas als het regent en een bril bij het lezen van de krant. Nee, niet zomaar een krant, Het Watervogeldagblad, de onafhankelijke kwaliteitskrant voor gevederde waterratten. Soms rookt hij al bij pagina 3, maar als de pijp nog moet gestopt na pagina 10, dan is er gisteren wat ernstigs gebeurd. Hij houdt van zichzelf als hij de krant leest. Telkens als iemand tegen het raam tikt om te weten te komen of hij al dan niet thuis is, een bel had de reiger niet, blijft hij even star voor zich uit kijken, rook blazend als het kan, ernstig peinzend, en zich bovenal bewust dat hij de bezoeker een beeld bezorgt van hemzelf zoals hij wil dat hij is. Pas na twee, drie tikken tegen het raam kijkt hij op, gespeeld verrast, en zet zijn bril af. Hij ziet niet goed meer, het raam is te ver weg, herkennen lukt niet, maar wie de schim ook is, hij wil hem of haar met zijn hartelijk gelaat laten kennismaken. Hij zwaait enthousiast. De deur is altijd open.

‘Hallo, de melkboer, mag ik binnenkomen?’

-‘Ja, natuurlijk, Frans, kom binnen.’

‘Zes flessen zoals gewoonlijk?’

Frans heeft de zes flessen melk reeds bij zich. Bij het woord flessen heft hij de melk even op en knipoogt er naar om er de reiger op te wijzen dat hij vooruitziend is.

-‘Zes flessen, perfect.’

De reiger denkt aan de tientallen volle flessen melk in de kelder. Aan de ingevroren rijstpap. Aan de melk die hij aan de planten geeft. Nooit durft hij te zeggen: ‘drie zal wel volstaan deze week’ of ‘deze week geen melk, Frans’.

‘Dat is dan vier vijftig.’

Het geld ligt klaar op tafel, altijd gepast.

‘Ik moet maar weer eens opschieten.’

De reiger glimlacht en zegt: ‘Je vindt de weg wel.’

‘Jaja, natuurlijk, tot volgende week…’

‘…met meer melk.’ vult de reiger aan.

‘Ja, haha, met meer melk!’

Ook al is de melkboer reeds een paar minuten verdwenen, nog steeds kijkt de reiger hartelijk. De melk plaatst hij op de bovenste trede van de keldertrap. ‘De krant’, denkt hij.

Het duurt even voor hij een eventueel volgende bezoeker van de juiste pose kan voorzien, al weet hij dat op melkdag het raam schimmenvrij zal blijven na het bezoek van Frans.

Kabouter Wesley komt zonder raamtikken binnen en eet de reiger op. Einde.

1/12/2009

s ‘Lacht. (Een verhaal geschreven op de dag van het heengaan van Ramses Shaffy en de verkeerd begrepen teraardebestelling van Frank De Winne.)

Het jagen op een kip is ernst. De buur ziet een tragikomisch schouwspel, molenwiekend probeer je de kip in een hoek te jagen. De laarzen passen niet, de jas is te groot en de muts te opvallend. De kip besluit om druk te doen, ze vat het niet helemaal, wat moet die man nu van mij. Jezus, zegt ze dan, Jezus. Graaien doe je niet, niet in het begin van de jacht, de kip is nog te kwiek en je weet, je weet dat de buur je mistasten op hoongelach zal ontvangen. Zo’n dingen ziet hij nu eenmaal. Jezus, zegt hij dan, Jezus. Je moet het dier afmatten, opjagen, geen rust gunnen, je moet de grenzen van de beschaving aftasten, het dier in jezelf vrijlaten. En dan toeslaan, als het donker begint te worden. Zij gaat vanavond met jou op stok. Grijpen is het niet, grabbelen al helemaal niet, misschien is het grissen. Je voelt haar, je hoort haar, je voelt haar niet meer. Jezus, zeg je dan, Jezus. Geen hoongelach, dat wel. Hij kijkt televisie, denk ik, of naar het ISS. Ik probeer haar nu te lokken met maïs. Neem en eet hiervan, dit is mijn lichaam. Ze eet uit mijn hand. Mijn linkerhand zal haar wurgen, ze voelt warm aan, een prettig gevoel, ze maakt geen geluid meer. Jezus, zegt Hij dan, Jezus. Ik zing haar toe. Bereid om elk moment te sterven van geluk.

28/11/2009

Vaders droom.

Hij leest ons Dostojevski voor en we mogen drinken van zijn glas. Hij komt vaak niet uit zijn woorden. Dyslexie heet het de volgende dag, maar wij zien nu ontroering en verbittering, we voelen zijn pijn in ons bestaan.

Vader heeft maar acht vingers meer, hij werkt heel hard.

Het voorlezen van Dostojevski is zijn opoffering voor het goede vaderschap. Teksten die hij had kunnen schrijven. Niemand houdt van zijn teksten, ook wij niet. Soms, steeds minder vaak, probeert hij voor te lezen uit eigen werk, maar na een paar zinnen schreeuwen wij in koor om Fjodor. Fjodor! Fjodor! Fjodor! ‘Ja, Fjodor’ zegt hij dan, ‘die kon er wat van’.

Ooit had moeder zijn schrijfsels willen laten bundelen om hem, op zijn vijftigste verjaardag, zijn eigen woorden cadeau te doen, maar de drukker weigerde. We probeerden toen zelf het boekbinden naar onze hand te zetten, maar zijn teksten werden onleesbaar door ons slordig omspringen met lijm, die later ook nog erg ontvlambaar bleek te zijn. Ons geschenk, zijn woorden, gooide hij in de open haard. Of we helemaal geen respect hebben voor zijn schrijverschap, voor zijn talent als literator, vroeg hij zich luidop af. Hij huilde ook, en zijn altijd keurige haar was nu in de war. Toen ik hem zo zag, hoorde ik hem voorlezen uit ‘De vernederden en vertrapten’. Heel even hield ik toen van hem, ik wou hem troosten, maar door de immense hitte van de brandende lijm leek mij dat geen goed idee. Hij doofde zijn woorden, zijn gedachten met water.

Vader drinkt al jaren niet meer.

Trein (spoorloos gestemd).

Vertraging alom. Ik kijk met verbazing naar de ongeduldige reizigers op het perron die zich moeilijk kunnen kwijten van hun wachtende taak. Tijd heerst hier in dit universum. Zij lopen door elkaar, volgen hun eigen paden, zoeken en vinden. Misschien is dat immer zoeken naar sporen net wat hun ongeduldig maakt. Ik rij maar wat op de sporen van een ander.

Ze sakkeren op mij. Ik ontvang hen nochtans met open deuren. Sommigen gaan zitten, sommigen moeten of willen staan. Ze zullen lezen en door het raam kijken. Vreemde geuren waarnemen, praten en slapen. Ze zullen wachten op mijn vertrek en vertrekken wanneer ik wacht.

Ik voel bitter weinig en wacht op een fluitsignaal.

21/11/2009

Op de vuist met Daniël Termont.

Zie hem daar staan. Onze burgervader. Alweer beschonken, genietend van de aandacht van het vrouwelijk schoon, niet eens subtiel. Hoe later op de avond, hoe groter zijn kop. Ik wil hem vermanend aanraken, een dreun verkopen, tegen zijn schenen schoppen, aan de oren trekken. Omdat hij zich hoort te gedragen als een notabele, we leven kortom in een stad, een provinciestad, we moeten ten allen tijde de stedelingen van een waardig en elegant beeld voorzien.

Ik sta recht en wandel naar hem toe. Moet je die buik zien. Ik sla hem in de nieren, denk ik. Even overweeg ik om hem te swaffelen, maar ik ben geen christendemocraat. Hij voelt het niet eens. Ik sla hem en hij voelt het niet! Wat een misplaatste arrogantie van die mossel. Nog maar eens, ik voel z’n nier barsten. Dit zit goed, denk ik. Ik voel zijn krachtige hand om mijn hals. Hij glimlacht en gooit me de vloer op. Een man zegt dat hij zich moet bedaren, maar daar lijkt hij geen oren naar te hebben. Met zijn logge lijf komt ie op mij zitten. Die hand weer om mijn hals. Hij slaat mijn hoofd herhaaldelijk tegen de houten vloer aan. Iemand op het toilet schreeuwt of we in godsnaam willen ophouden met tapdansen. Ik voel me verlost, mijn lot ligt in Zijn handen, in Hem herken ik de Vader. Er komt bloed uit mijn oor. Beide handen proberen nu mijn strot dicht te duwen. Ik loop paars aan volgens een toeschouwer die commentaar levert. Hij wijst naar de kleur van zijn purperen das om de omstanders die het gevecht niet kunnen aanschouwen te duiden op mijn veranderende gelaatskleur.

Dit is mijn lichaam. Het is voor U.

Ik voel zijn zweetdruppels op mijn hoofd. Wijde pupillen kijken door mij heen. Wat een afschuwelijke kop heeft ie. Dit moet dus zijn vrouw zien, zo één keer per week. Ik spuug in zijn gezicht. Hij haalt uit met de vuist. Telkenmale hij zijn kneukels in mijn hoofd plant, schreeuwt hij een woord. Wat. Moet. Jij. In. Godsnaam. Van. Mij. Klootzak.

Blijf dit doen om mij te gedenken.

Mijn linkeroog is nu dichtgetimmerd. Nog steeds die paarse kleur, hoor ik. Gent houdt van paars. Daniël houdt van paars. Hij laat me los, Hij verlost me. Ik spuw bloed uit, en ook wat tanden.

God is mijn rechter.

Een avondje uit in de Leie of de Schelde(een Gents kortverhaal zonder zin).

Als ik rusteloos besta, dan moet ik bewegen. Vaak niet meer dan ijsberen in de woonkamer, maar omdat dat algauw gaat vervelen, neem ik er soms ook de keuken bij. Ik beweeg, en de gedachten lopen gelijktijdig mee. Hand in hand voelen we elkaar aan en proberen we troost te zoeken in het vluchtige. We stappen in de tijd, doen de gordel om, en laten ons vliegen. Rust vinden we in het zoeken naar rust.

Sinds ik een kat in huis heb, ben ik me minder frequent gaan scheren. Het dier vergt heel wat verzorging en aandacht. Ze weet dat ik haar uit verveling in dit pand heb gehaald, en wil haar baasje zoveel mogelijk van die verveling verlossen. Vroeger scheerde ik me uit verveling, nu gooi ik een papierprop de andere kant uit.

Ook nu scheerde ik me niet. De kroeg kent me, de stamgasten scheren zichzelf ook al lang niet meer voor ze de deur uit moeten. Ook de vrouwen die er komen scheren zich niet, wist de barman me eens te vertellen. Ik kies voor een sobere broek, een sobere hemd en sobere schoenen. Ik wil niet opvallen, liefst zou ik nog een barkruk zijn, maar dat zit zo moeilijk.

Het is ongeveer vier minuten stappen van het appartement tot de kroeg. Net genoeg tijd om een openingszin te bedenken. Ik bestel twee biertjes en groet een aantal mensen die ik later op de avond wel eens vrienden noem. Mijn barkruk is bezet. Door een artiest, schat ik, een muzikant. Hij draagt een te groot hemd dat half open staat, zijn broek is wijd en licht van kleur. Een getaande huid met reliëf, half kalend, het resterende hoofdhaar wordt gekoesterd en in een staartje samengebundeld voor later. Sandalen in de herfst. Straatmuzikant. Ik neem dan maar plaats in wat men hier ‘den donkeren hoek’ noemt. Het peertje is al jaren stuk, hier wordt niet gelezen. Ik kijk wat rond en drink om rust te vinden. Ik wil bewegen en rust zoeken, maar dat staat hier niet. De barman wil niet dat er gedanst wordt. Dansende mensen nemen te veel plaats in, en dat is niet goed voor de omzet.

Ze komt naast me zitten. Soms oefen ik een openingszin met haar, maar die vindt ze meestal maar niets.

‘Hoi, dat is even geleden, alles goed met je?’

Ze glimlacht. Ze drinkt porto, ze drinkt altijd porto. De barman weet het niet, maar ze vult zelf haar glaasjes bij met een plastic flesje dat porto van thuis bevat. Ik noem haar ook Porto, maar ik geloof dat ze Ann, Annelies of Petra heet.

‘Ja’, zegt ze, ‘alles goed.’

-‘Hou je nog van hem?’

‘Ja, zielsveel.’

Ik bestel twee biertjes en laat haar het glaasje porto zelf bijvullen. Ik wil zo snel mogelijk dronken worden.

‘Heb jij nou al iemand?’

-‘Nee, nee, nog niet.’

‘Alles goed met de kat?’

-‘Ja, ze is erg levendig.’

Pas nu merk ik dat ze geen bril draagt.

-‘Lenzen?’

‘Nee, mijn bril is stuk.’

-‘Oh, die haalt het wel.’

Ik wil bewegen zoals een moslim bidt. Lichaamsgedachten. Ik bestel nog twee biertjes.

‘Ik ga maar eens.’

-‘Ja, we zien elkaar wel nog eens.’

Dronkenschap vergt vakmanschap. Het is reeds voorbij middernacht. ‘Den donkeren hoek’ zal straks aantrekkelijker worden voor dronken mensen die elkaar willen liefkozen, en God weet wat nog allemaal. Ik zeg tegen de barman dat ik vertrek, maar hij hoort me niet. Hij praat met Porto. Ook zij hoort me niet.

Ik slenter door de straten, blij dat ik bewegen kan.

Het is ongeveer acht minuten stappen van de kroeg tot het appartement. Net genoeg tijd om twee openingszinnen te bedenken. De kat slaapt, en ik scheer me. Vraag is, als ik in het water van Portus Ganda zou belanden, zal ik dan verdrinken in de Leie of de Schelde?