Gisteren zag ik in het programma Man bijt hond een vrouw die men een decennium geleden een bewust ongehuwde moeder zou noemen.
Ze had in het verleden vruchteloos naar liefde gezocht, zei ze, en keek daarbij alsof het zoeken een zware opdracht was geweest, een last die ze sinds haar adolescentie had gedragen. Het zoeken naar de liefde was voor haar als het dragen van een doornenkroon, een lijden waarvan ze hoopte verlost te worden, door die ene, de ware.
Minder vruchteloos bleek haar zoektocht naar een donor. Ze had drie kinderen gebaard, jonge meisjes nu. Zij waren de bewust gekozen ware, de Heilige Drievuldigheid waarin ze nu geloofde, de zelfgekozen liefde.
Eén van de meisjes was verliefd en vroeg haar moeder om raad bij het schrijven van een liefdesbrief. Ze kwam niet verder dan een paar eenvoudige verzen die ze op een mistroostige manier declameerde. Alsof ze haar kinderen wilde behoeden voor de kwelling van het zoeken naar romantiek en liefde.
Ze zullen later ook op zoek gaan naar een donorliefde, dacht ik, al hoop ik dat de romantiek hen daarvan behoedt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten