18/12/2009
Donorliefde
15/12/2009
Houd de liefde! (Nooit gedacht dat er kusttrams reden in Gent.)
13/12/2009
Telefoonstilte.
10/12/2009
Een kerstverhaal over sodomie, psoriasis en Lourdes.
2/12/2009
De onopvallend blauwe reiger.
Hij draagt een blauwe jas als het regent en een bril bij het lezen van de krant. Nee, niet zomaar een krant, Het Watervogeldagblad, de onafhankelijke kwaliteitskrant voor gevederde waterratten. Soms rookt hij al bij pagina 3, maar als de pijp nog moet gestopt na pagina 10, dan is er gisteren wat ernstigs gebeurd. Hij houdt van zichzelf als hij de krant leest. Telkens als iemand tegen het raam tikt om te weten te komen of hij al dan niet thuis is, een bel had de reiger niet, blijft hij even star voor zich uit kijken, rook blazend als het kan, ernstig peinzend, en zich bovenal bewust dat hij de bezoeker een beeld bezorgt van hemzelf zoals hij wil dat hij is. Pas na twee, drie tikken tegen het raam kijkt hij op, gespeeld verrast, en zet zijn bril af. Hij ziet niet goed meer, het raam is te ver weg, herkennen lukt niet, maar wie de schim ook is, hij wil hem of haar met zijn hartelijk gelaat laten kennismaken. Hij zwaait enthousiast. De deur is altijd open.
‘Hallo, de melkboer, mag ik binnenkomen?’
-‘Ja, natuurlijk, Frans, kom binnen.’
‘Zes flessen zoals gewoonlijk?’
Frans heeft de zes flessen melk reeds bij zich. Bij het woord flessen heft hij de melk even op en knipoogt er naar om er de reiger op te wijzen dat hij vooruitziend is.
-‘Zes flessen, perfect.’
De reiger denkt aan de tientallen volle flessen melk in de kelder. Aan de ingevroren rijstpap. Aan de melk die hij aan de planten geeft. Nooit durft hij te zeggen: ‘drie zal wel volstaan deze week’ of ‘deze week geen melk, Frans’.
‘Dat is dan vier vijftig.’
Het geld ligt klaar op tafel, altijd gepast.
‘Ik moet maar weer eens opschieten.’
De reiger glimlacht en zegt: ‘Je vindt de weg wel.’
‘Jaja, natuurlijk, tot volgende week…’
‘…met meer melk.’ vult de reiger aan.
‘Ja, haha, met meer melk!’
Ook al is de melkboer reeds een paar minuten verdwenen, nog steeds kijkt de reiger hartelijk. De melk plaatst hij op de bovenste trede van de keldertrap. ‘De krant’, denkt hij.
Het duurt even voor hij een eventueel volgende bezoeker van de juiste pose kan voorzien, al weet hij dat op melkdag het raam schimmenvrij zal blijven na het bezoek van Frans.
Kabouter Wesley komt zonder raamtikken binnen en eet de reiger op. Einde.
1/12/2009
s ‘Lacht. (Een verhaal geschreven op de dag van het heengaan van Ramses Shaffy en de verkeerd begrepen teraardebestelling van Frank De Winne.)
Het jagen op een kip is ernst. De buur ziet een tragikomisch schouwspel, molenwiekend probeer je de kip in een hoek te jagen. De laarzen passen niet, de jas is te groot en de muts te opvallend. De kip besluit om druk te doen, ze vat het niet helemaal, wat moet die man nu van mij. Jezus, zegt ze dan, Jezus. Graaien doe je niet, niet in het begin van de jacht, de kip is nog te kwiek en je weet, je weet dat de buur je mistasten op hoongelach zal ontvangen. Zo’n dingen ziet hij nu eenmaal. Jezus, zegt hij dan, Jezus. Je moet het dier afmatten, opjagen, geen rust gunnen, je moet de grenzen van de beschaving aftasten, het dier in jezelf vrijlaten. En dan toeslaan, als het donker begint te worden. Zij gaat vanavond met jou op stok. Grijpen is het niet, grabbelen al helemaal niet, misschien is het grissen. Je voelt haar, je hoort haar, je voelt haar niet meer. Jezus, zeg je dan, Jezus. Geen hoongelach, dat wel. Hij kijkt televisie, denk ik, of naar het ISS. Ik probeer haar nu te lokken met maïs. Neem en eet hiervan, dit is mijn lichaam. Ze eet uit mijn hand. Mijn linkerhand zal haar wurgen, ze voelt warm aan, een prettig gevoel, ze maakt geen geluid meer. Jezus, zegt Hij dan, Jezus. Ik zing haar toe. Bereid om elk moment te sterven van geluk.