28/11/2009

Vaders droom.

Hij leest ons Dostojevski voor en we mogen drinken van zijn glas. Hij komt vaak niet uit zijn woorden. Dyslexie heet het de volgende dag, maar wij zien nu ontroering en verbittering, we voelen zijn pijn in ons bestaan.

Vader heeft maar acht vingers meer, hij werkt heel hard.

Het voorlezen van Dostojevski is zijn opoffering voor het goede vaderschap. Teksten die hij had kunnen schrijven. Niemand houdt van zijn teksten, ook wij niet. Soms, steeds minder vaak, probeert hij voor te lezen uit eigen werk, maar na een paar zinnen schreeuwen wij in koor om Fjodor. Fjodor! Fjodor! Fjodor! ‘Ja, Fjodor’ zegt hij dan, ‘die kon er wat van’.

Ooit had moeder zijn schrijfsels willen laten bundelen om hem, op zijn vijftigste verjaardag, zijn eigen woorden cadeau te doen, maar de drukker weigerde. We probeerden toen zelf het boekbinden naar onze hand te zetten, maar zijn teksten werden onleesbaar door ons slordig omspringen met lijm, die later ook nog erg ontvlambaar bleek te zijn. Ons geschenk, zijn woorden, gooide hij in de open haard. Of we helemaal geen respect hebben voor zijn schrijverschap, voor zijn talent als literator, vroeg hij zich luidop af. Hij huilde ook, en zijn altijd keurige haar was nu in de war. Toen ik hem zo zag, hoorde ik hem voorlezen uit ‘De vernederden en vertrapten’. Heel even hield ik toen van hem, ik wou hem troosten, maar door de immense hitte van de brandende lijm leek mij dat geen goed idee. Hij doofde zijn woorden, zijn gedachten met water.

Vader drinkt al jaren niet meer.

Trein (spoorloos gestemd).

Vertraging alom. Ik kijk met verbazing naar de ongeduldige reizigers op het perron die zich moeilijk kunnen kwijten van hun wachtende taak. Tijd heerst hier in dit universum. Zij lopen door elkaar, volgen hun eigen paden, zoeken en vinden. Misschien is dat immer zoeken naar sporen net wat hun ongeduldig maakt. Ik rij maar wat op de sporen van een ander.

Ze sakkeren op mij. Ik ontvang hen nochtans met open deuren. Sommigen gaan zitten, sommigen moeten of willen staan. Ze zullen lezen en door het raam kijken. Vreemde geuren waarnemen, praten en slapen. Ze zullen wachten op mijn vertrek en vertrekken wanneer ik wacht.

Ik voel bitter weinig en wacht op een fluitsignaal.

21/11/2009

Op de vuist met Daniël Termont.

Zie hem daar staan. Onze burgervader. Alweer beschonken, genietend van de aandacht van het vrouwelijk schoon, niet eens subtiel. Hoe later op de avond, hoe groter zijn kop. Ik wil hem vermanend aanraken, een dreun verkopen, tegen zijn schenen schoppen, aan de oren trekken. Omdat hij zich hoort te gedragen als een notabele, we leven kortom in een stad, een provinciestad, we moeten ten allen tijde de stedelingen van een waardig en elegant beeld voorzien.

Ik sta recht en wandel naar hem toe. Moet je die buik zien. Ik sla hem in de nieren, denk ik. Even overweeg ik om hem te swaffelen, maar ik ben geen christendemocraat. Hij voelt het niet eens. Ik sla hem en hij voelt het niet! Wat een misplaatste arrogantie van die mossel. Nog maar eens, ik voel z’n nier barsten. Dit zit goed, denk ik. Ik voel zijn krachtige hand om mijn hals. Hij glimlacht en gooit me de vloer op. Een man zegt dat hij zich moet bedaren, maar daar lijkt hij geen oren naar te hebben. Met zijn logge lijf komt ie op mij zitten. Die hand weer om mijn hals. Hij slaat mijn hoofd herhaaldelijk tegen de houten vloer aan. Iemand op het toilet schreeuwt of we in godsnaam willen ophouden met tapdansen. Ik voel me verlost, mijn lot ligt in Zijn handen, in Hem herken ik de Vader. Er komt bloed uit mijn oor. Beide handen proberen nu mijn strot dicht te duwen. Ik loop paars aan volgens een toeschouwer die commentaar levert. Hij wijst naar de kleur van zijn purperen das om de omstanders die het gevecht niet kunnen aanschouwen te duiden op mijn veranderende gelaatskleur.

Dit is mijn lichaam. Het is voor U.

Ik voel zijn zweetdruppels op mijn hoofd. Wijde pupillen kijken door mij heen. Wat een afschuwelijke kop heeft ie. Dit moet dus zijn vrouw zien, zo één keer per week. Ik spuug in zijn gezicht. Hij haalt uit met de vuist. Telkenmale hij zijn kneukels in mijn hoofd plant, schreeuwt hij een woord. Wat. Moet. Jij. In. Godsnaam. Van. Mij. Klootzak.

Blijf dit doen om mij te gedenken.

Mijn linkeroog is nu dichtgetimmerd. Nog steeds die paarse kleur, hoor ik. Gent houdt van paars. Daniël houdt van paars. Hij laat me los, Hij verlost me. Ik spuw bloed uit, en ook wat tanden.

God is mijn rechter.

Een avondje uit in de Leie of de Schelde(een Gents kortverhaal zonder zin).

Als ik rusteloos besta, dan moet ik bewegen. Vaak niet meer dan ijsberen in de woonkamer, maar omdat dat algauw gaat vervelen, neem ik er soms ook de keuken bij. Ik beweeg, en de gedachten lopen gelijktijdig mee. Hand in hand voelen we elkaar aan en proberen we troost te zoeken in het vluchtige. We stappen in de tijd, doen de gordel om, en laten ons vliegen. Rust vinden we in het zoeken naar rust.

Sinds ik een kat in huis heb, ben ik me minder frequent gaan scheren. Het dier vergt heel wat verzorging en aandacht. Ze weet dat ik haar uit verveling in dit pand heb gehaald, en wil haar baasje zoveel mogelijk van die verveling verlossen. Vroeger scheerde ik me uit verveling, nu gooi ik een papierprop de andere kant uit.

Ook nu scheerde ik me niet. De kroeg kent me, de stamgasten scheren zichzelf ook al lang niet meer voor ze de deur uit moeten. Ook de vrouwen die er komen scheren zich niet, wist de barman me eens te vertellen. Ik kies voor een sobere broek, een sobere hemd en sobere schoenen. Ik wil niet opvallen, liefst zou ik nog een barkruk zijn, maar dat zit zo moeilijk.

Het is ongeveer vier minuten stappen van het appartement tot de kroeg. Net genoeg tijd om een openingszin te bedenken. Ik bestel twee biertjes en groet een aantal mensen die ik later op de avond wel eens vrienden noem. Mijn barkruk is bezet. Door een artiest, schat ik, een muzikant. Hij draagt een te groot hemd dat half open staat, zijn broek is wijd en licht van kleur. Een getaande huid met reliëf, half kalend, het resterende hoofdhaar wordt gekoesterd en in een staartje samengebundeld voor later. Sandalen in de herfst. Straatmuzikant. Ik neem dan maar plaats in wat men hier ‘den donkeren hoek’ noemt. Het peertje is al jaren stuk, hier wordt niet gelezen. Ik kijk wat rond en drink om rust te vinden. Ik wil bewegen en rust zoeken, maar dat staat hier niet. De barman wil niet dat er gedanst wordt. Dansende mensen nemen te veel plaats in, en dat is niet goed voor de omzet.

Ze komt naast me zitten. Soms oefen ik een openingszin met haar, maar die vindt ze meestal maar niets.

‘Hoi, dat is even geleden, alles goed met je?’

Ze glimlacht. Ze drinkt porto, ze drinkt altijd porto. De barman weet het niet, maar ze vult zelf haar glaasjes bij met een plastic flesje dat porto van thuis bevat. Ik noem haar ook Porto, maar ik geloof dat ze Ann, Annelies of Petra heet.

‘Ja’, zegt ze, ‘alles goed.’

-‘Hou je nog van hem?’

‘Ja, zielsveel.’

Ik bestel twee biertjes en laat haar het glaasje porto zelf bijvullen. Ik wil zo snel mogelijk dronken worden.

‘Heb jij nou al iemand?’

-‘Nee, nee, nog niet.’

‘Alles goed met de kat?’

-‘Ja, ze is erg levendig.’

Pas nu merk ik dat ze geen bril draagt.

-‘Lenzen?’

‘Nee, mijn bril is stuk.’

-‘Oh, die haalt het wel.’

Ik wil bewegen zoals een moslim bidt. Lichaamsgedachten. Ik bestel nog twee biertjes.

‘Ik ga maar eens.’

-‘Ja, we zien elkaar wel nog eens.’

Dronkenschap vergt vakmanschap. Het is reeds voorbij middernacht. ‘Den donkeren hoek’ zal straks aantrekkelijker worden voor dronken mensen die elkaar willen liefkozen, en God weet wat nog allemaal. Ik zeg tegen de barman dat ik vertrek, maar hij hoort me niet. Hij praat met Porto. Ook zij hoort me niet.

Ik slenter door de straten, blij dat ik bewegen kan.

Het is ongeveer acht minuten stappen van de kroeg tot het appartement. Net genoeg tijd om twee openingszinnen te bedenken. De kat slaapt, en ik scheer me. Vraag is, als ik in het water van Portus Ganda zou belanden, zal ik dan verdrinken in de Leie of de Schelde?