Als ik rusteloos besta, dan moet ik bewegen. Vaak niet meer dan ijsberen in de woonkamer, maar omdat dat algauw gaat vervelen, neem ik er soms ook de keuken bij. Ik beweeg, en de gedachten lopen gelijktijdig mee. Hand in hand voelen we elkaar aan en proberen we troost te zoeken in het vluchtige. We stappen in de tijd, doen de gordel om, en laten ons vliegen. Rust vinden we in het zoeken naar rust.
Sinds ik een kat in huis heb, ben ik me minder frequent gaan scheren. Het dier vergt heel wat verzorging en aandacht. Ze weet dat ik haar uit verveling in dit pand heb gehaald, en wil haar baasje zoveel mogelijk van die verveling verlossen. Vroeger scheerde ik me uit verveling, nu gooi ik een papierprop de andere kant uit.
Ook nu scheerde ik me niet. De kroeg kent me, de stamgasten scheren zichzelf ook al lang niet meer voor ze de deur uit moeten. Ook de vrouwen die er komen scheren zich niet, wist de barman me eens te vertellen. Ik kies voor een sobere broek, een sobere hemd en sobere schoenen. Ik wil niet opvallen, liefst zou ik nog een barkruk zijn, maar dat zit zo moeilijk.
Het is ongeveer vier minuten stappen van het appartement tot de kroeg. Net genoeg tijd om een openingszin te bedenken. Ik bestel twee biertjes en groet een aantal mensen die ik later op de avond wel eens vrienden noem. Mijn barkruk is bezet. Door een artiest, schat ik, een muzikant. Hij draagt een te groot hemd dat half open staat, zijn broek is wijd en licht van kleur. Een getaande huid met reliëf, half kalend, het resterende hoofdhaar wordt gekoesterd en in een staartje samengebundeld voor later. Sandalen in de herfst. Straatmuzikant. Ik neem dan maar plaats in wat men hier ‘den donkeren hoek’ noemt. Het peertje is al jaren stuk, hier wordt niet gelezen. Ik kijk wat rond en drink om rust te vinden. Ik wil bewegen en rust zoeken, maar dat staat hier niet. De barman wil niet dat er gedanst wordt. Dansende mensen nemen te veel plaats in, en dat is niet goed voor de omzet.
Ze komt naast me zitten. Soms oefen ik een openingszin met haar, maar die vindt ze meestal maar niets.
‘Hoi, dat is even geleden, alles goed met je?’
Ze glimlacht. Ze drinkt porto, ze drinkt altijd porto. De barman weet het niet, maar ze vult zelf haar glaasjes bij met een plastic flesje dat porto van thuis bevat. Ik noem haar ook Porto, maar ik geloof dat ze Ann, Annelies of Petra heet.
‘Ja’, zegt ze, ‘alles goed.’
-‘Hou je nog van hem?’
‘Ja, zielsveel.’
Ik bestel twee biertjes en laat haar het glaasje porto zelf bijvullen. Ik wil zo snel mogelijk dronken worden.
‘Heb jij nou al iemand?’
-‘Nee, nee, nog niet.’
‘Alles goed met de kat?’
-‘Ja, ze is erg levendig.’
Pas nu merk ik dat ze geen bril draagt.
-‘Lenzen?’
‘Nee, mijn bril is stuk.’
-‘Oh, die haalt het wel.’
Ik wil bewegen zoals een moslim bidt. Lichaamsgedachten. Ik bestel nog twee biertjes.
‘Ik ga maar eens.’
-‘Ja, we zien elkaar wel nog eens.’
Dronkenschap vergt vakmanschap. Het is reeds voorbij middernacht. ‘Den donkeren hoek’ zal straks aantrekkelijker worden voor dronken mensen die elkaar willen liefkozen, en God weet wat nog allemaal. Ik zeg tegen de barman dat ik vertrek, maar hij hoort me niet. Hij praat met Porto. Ook zij hoort me niet.
Ik slenter door de straten, blij dat ik bewegen kan.
Het is ongeveer acht minuten stappen van de kroeg tot het appartement. Net genoeg tijd om twee openingszinnen te bedenken. De kat slaapt, en ik scheer me. Vraag is, als ik in het water van Portus Ganda zou belanden, zal ik dan verdrinken in de Leie of de Schelde?