25/01/2010

Sla!


Wat Walter en Sarah samenhoudt is sla: hij houdt van haar geselen en zij houdt van de groente. Walter is jager en een omnivoor met een voorliefde voor immense braadstukken. Sarah is vegetariër met een voorliefde voor groene groenten. Ze houden van elkaar, al twaalf jaar lang. Hun lievelingsgerecht is tournedos met sla.
Als Walter jaagt, gaat Sarah wandelen. Soms jaagt hij op haar, maar ze is best rank en snel.

"Ik vind sla echt lekker", zegt ze vaak als ze samen in de wagen, een rode jeep, zitten.
"Ja, ik ook," zegt Walter dan, "rustgevend."
"Misschien moet je het maar eens vaker eten?"

"Daar gaat ze weer," dacht Walter, "de missionaris van de groentekerk."

Waarom, waarom haalt ze genoegen uit het verkondigen van dat blasfemisch gepalaver? Dat ze geen vlees eet uit een automutulerende reflex, daar kan hij nog bijkomen, maar het immer verheven toontje van de boodschapper, dat zint hem niet. Ja, hij houdt van vlees, liefde is vlees en vlees, hij consumeert die liefde.

"Kijk uit," roept Sarah, "een patrijs op de weg."
Ze wil nog een draai aan het stuur geven, maar Walter houdt van patrijs en is stuurvast. Ze stoppen, Walter stapt meteen uit.
"Ik heb het geraakt, ik weet het zeker, ik heb het geraakt."
Sarah blijft in de wagen zitten, bewegingsloos, als een plant.
"Er hangt bloed aan de band, ik ga even in de maïs kijken."

Walter verwacht geen reactie op die zin. Hij baant zich een weg in het maïsveld.

"Doe je schoenen uit", zegt Sarah wanneer Walter aanstalten maakt om in te stappen. Ze zucht heel diep.
"Ze leeft" dacht Walter.
Sarah dacht aan het dode patrijsje, Walter had haar niet gevonden.

"Patrijzen eten maïs", zegt Walter en hij start de wagen.

18/12/2009

Donorliefde


Gisteren zag ik in het programma Man bijt hond een vrouw die men een decennium geleden een bewust ongehuwde moeder zou noemen.
Ze had in het verleden vruchteloos naar liefde gezocht, zei ze, en keek daarbij alsof het zoeken een zware opdracht was geweest, een last die ze sinds haar adolescentie had gedragen. Het zoeken naar de liefde was voor haar als het dragen van een doornenkroon, een lijden waarvan ze hoopte verlost te worden, door die ene, de ware.

Minder vruchteloos bleek haar zoektocht naar een donor. Ze had drie kinderen gebaard, jonge meisjes nu. Zij waren de bewust gekozen ware, de Heilige Drievuldigheid waarin ze nu geloofde, de zelfgekozen liefde.

Eén van de meisjes was verliefd en vroeg haar moeder om raad bij het schrijven van een liefdesbrief. Ze kwam niet verder dan een paar eenvoudige verzen die ze op een mistroostige manier declameerde. Alsof ze haar kinderen wilde behoeden voor de kwelling van het zoeken naar romantiek en liefde.

Ze zullen later ook op zoek gaan naar een donorliefde, dacht ik, al hoop ik dat de romantiek hen daarvan behoedt.


15/12/2009

Houd de liefde! (Nooit gedacht dat er kusttrams reden in Gent.)


“Houd de liefde, houd de liefde!” schreeuwt een man in de straat. Zo’n overvolle winkelstraat in Gent waar je jezelf vooral wil onthouden van vriendelijkheid, iedereen is een vreemde voor elkaar, een aanraking is hier een verdraagzaam aanvaarden van elkaars bewegingsruimte geworden. Houd de liefde! Houd de liefde!
“Ook de liefde wil hier weg” mompel ik.

Twee mannen hebben de liefde staande gehouden. Ze dragen dezelfde jas als de man die zonet schreeuwde. De kleinste van de twee lijkt haar te willen fouilleren, maar de andere man houdt hem tegen. “Dit kunnen we niet maken, niet hier.” Ze zuchten. Elk hebben ze een arm vast. “We brengen je naar het bureel,” zeggen ze in koor, “terug bij je rechtmatige eigenaar.” Ze glimlachen nu.

Mijn jas is te ruim. Mijn broek te kort. Wat zal ze niet van mij denken. De eerste stap is de moeilijkste, die moet iets sneller. Dan zal ik lopen, de twee mannen uitschakelen, haar over mijn schouder draperen, en weer lopen, tot ik niet meer kan, allemaal in naam van de liefde. Ik loop naar de heren toe, mijn hoofd houd ik zo laag dat ik het in de maag van de kleine kan stompen. Hij valt om. De andere sla ik vol in het gelaat. Ook hij valt om.
“Sisyphus!” roept ze. “Nee,” zeg ik, “het is Albert.”
Ik leg de liefde op mijn rechterschouder en begin weer te lopen. “We moeten hier zo snel mogelijk vandaan!”, roep ik. Houd de dief! Houd de dief!
Ze weegt zwaarder dan ik dacht. “Houd de liefde”, denk ik.

“Die berg op!” zegt ze. Ik ren als een bezetene, maar de liefde gaat steeds zwaarder doorwegen. Dit red ik niet. Ik geef een signaal aan de schrijver van deze tekst, doe het desnoods met een vreemde plotwending, maar ik wil niet de man zijn die de liefde niet redden kon.

Een kusttram grijpt ons beiden. De schrijver pent ons beiden naar de dood. Wat een hufter.