“Houd de liefde, houd de liefde!” schreeuwt een man in de straat. Zo’n overvolle winkelstraat in Gent waar je jezelf vooral wil onthouden van vriendelijkheid, iedereen is een vreemde voor elkaar, een aanraking is hier een verdraagzaam aanvaarden van elkaars bewegingsruimte geworden. Houd de liefde! Houd de liefde!
“Ook de liefde wil hier weg” mompel ik.
Twee mannen hebben de liefde staande gehouden. Ze dragen dezelfde jas als de man die zonet schreeuwde. De kleinste van de twee lijkt haar te willen fouilleren, maar de andere man houdt hem tegen. “Dit kunnen we niet maken, niet hier.” Ze zuchten. Elk hebben ze een arm vast. “We brengen je naar het bureel,” zeggen ze in koor, “terug bij je rechtmatige eigenaar.” Ze glimlachen nu.
Mijn jas is te ruim. Mijn broek te kort. Wat zal ze niet van mij denken. De eerste stap is de moeilijkste, die moet iets sneller. Dan zal ik lopen, de twee mannen uitschakelen, haar over mijn schouder draperen, en weer lopen, tot ik niet meer kan, allemaal in naam van de liefde. Ik loop naar de heren toe, mijn hoofd houd ik zo laag dat ik het in de maag van de kleine kan stompen. Hij valt om. De andere sla ik vol in het gelaat. Ook hij valt om.
“Sisyphus!” roept ze. “Nee,” zeg ik, “het is Albert.”
Ik leg de liefde op mijn rechterschouder en begin weer te lopen. “We moeten hier zo snel mogelijk vandaan!”, roep ik. Houd de dief! Houd de dief!
Ze weegt zwaarder dan ik dacht. “Houd de liefde”, denk ik.
“Die berg op!” zegt ze. Ik ren als een bezetene, maar de liefde gaat steeds zwaarder doorwegen. Dit red ik niet. Ik geef een signaal aan de schrijver van deze tekst, doe het desnoods met een vreemde plotwending, maar ik wil niet de man zijn die de liefde niet redden kon.
Een kusttram grijpt ons beiden. De schrijver pent ons beiden naar de dood. Wat een hufter.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten