1/12/2009

s ‘Lacht. (Een verhaal geschreven op de dag van het heengaan van Ramses Shaffy en de verkeerd begrepen teraardebestelling van Frank De Winne.)

Het jagen op een kip is ernst. De buur ziet een tragikomisch schouwspel, molenwiekend probeer je de kip in een hoek te jagen. De laarzen passen niet, de jas is te groot en de muts te opvallend. De kip besluit om druk te doen, ze vat het niet helemaal, wat moet die man nu van mij. Jezus, zegt ze dan, Jezus. Graaien doe je niet, niet in het begin van de jacht, de kip is nog te kwiek en je weet, je weet dat de buur je mistasten op hoongelach zal ontvangen. Zo’n dingen ziet hij nu eenmaal. Jezus, zegt hij dan, Jezus. Je moet het dier afmatten, opjagen, geen rust gunnen, je moet de grenzen van de beschaving aftasten, het dier in jezelf vrijlaten. En dan toeslaan, als het donker begint te worden. Zij gaat vanavond met jou op stok. Grijpen is het niet, grabbelen al helemaal niet, misschien is het grissen. Je voelt haar, je hoort haar, je voelt haar niet meer. Jezus, zeg je dan, Jezus. Geen hoongelach, dat wel. Hij kijkt televisie, denk ik, of naar het ISS. Ik probeer haar nu te lokken met maïs. Neem en eet hiervan, dit is mijn lichaam. Ze eet uit mijn hand. Mijn linkerhand zal haar wurgen, ze voelt warm aan, een prettig gevoel, ze maakt geen geluid meer. Jezus, zegt Hij dan, Jezus. Ik zing haar toe. Bereid om elk moment te sterven van geluk.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten